Boomklever

Hij wilde hem weer op eigen pootjes zetten. In zijn natuurlijke habitat, in de oude loofbomen naast het huis. Mijn lief en de natuur, da’s een boel handen op één buik. Dat zie je dan ook aan die handen, die dagelijks paarden op de flanken kloppen, honden onder de kin kroelen en zo af en toe een vogel veiligheid bieden. Hij is er mee geboren, met dat natuurtalent. Dieren in hun kracht zetten. En mensen, by the way…
Ik had hem ontdekt, het boomkleverjong, op de koude stenen. Blijkbaar uit het nest gevallen. Een vroegertje, in deze koude februarimaand. Hij keek kwiek, maar kon geen kant op. Vragend keek hij me aan. Ik haalde er Willem bij. Dierenfluisteraar zonder woorden.

We hebben er al heel wat in de tuin gehad. Soms in resten botten of in een hoop veren. Maar even zo goed in leven. Alleen, vermagerd, zielig. Regelmatig krijgen we de suggestie de gestrande dieren te verzorgen en een liefdevol thuis te bieden. Het zou een vrolijke beestenboel zijn. We kijken onze ogen uit hier. En laten de dieren hun natuurlijke en intuïtieve gang gaan. Daar hoort ook afscheid bij.
“Laat me maar los, jongen”, moedigde Willem hem aan.
Afscheid nemen, loslaten en niet meer achterom kijken. Met dat laatste sjoemel ik een beetje. Natuurwet of niet, ik ben een jankerd als het om afscheid gaat van alles wat kwetsbaar is.
Ik koekeloer af en toe of ik onze vogelvriend nog zie. Of hoor. Boomklevers zingen graag en hard. Hij piepte vanochtend dankbaar naar zijn menselijke redders. En keek ons aan. Ik meende zelfs een knipoogje te zien. Ik ga hem horen, dat kan niet anders….

Geen reactie's

Geef een reactie